2022

Verhuis

In december 2019 verlaat ik Antwerpen, de stad waar ik meer dan dertig jaar heb gewoond — en waar ik in 2006 en 2007 Stadsdichter was. Een paar maanden voordat de hele wereld in de greep komt van het coronavirus, kies ik samen met mijn partner voor de rust van de bossen en de heide in het groene Kalmthout.

Mijn derde dichtbundel, Helium, is genomineerd voor de Ida Gerhardt Poëzieprijs. In Helium thematiseer ik onder andere de dementie van mijn beide ouders en de dood van mijn vader in het voorjaar van 2019. In de lente van 2020 overlijdt mijn moeder.

In opdracht van CPNB schrijf ik Kortom, het Boekenweekgedicht 2022.

2019

Astrid Lindgren Memorial Award

Op 2 april 2019 wordt bekendgemaakt dat mij de Astrid Lindgren Memorial Award 2019 is toegekend voor mijn hele oeuvre. De officiële uitreiking van de Award vindt op 27 mei 2019 plaats in het Konserthuset in Stockholm.
 

2016

Het project FBM16

In 2014 krijg ik een belangrijk verzoek. De vraag komt van het Vlaams Fonds voor de Letteren en het Nederlands Letterenfonds. Of ik artistiek intendant wil zijn van het Gastland Vlaanderen en Nederland op de Frankfurter Buchmesse 2016? Voor dit megaproject werk ik in twee en een half jaar tijd het hele concept uit en breng samen met een sterk team het Nederlands taalgebied literair en cultureel in kaart.

In de laatste 34 weken schrijf ik elke vrijdag in een blog hoe het project verloopt.
 

2013

Jubileumjaar

Het wordt een mooie dertigste schrijversverjaardag met een boek als Jij en ik en alle andere kinderen. De turf is geïllustreerd door zes tekenaars die onlosmakelijk verbonden zijn met mijn hele traject sinds 1983.

Het jaar 2013 staat volledig in het teken van het schrijversjubileum, onder andere met een opgemerkte passage — een feestje dat een jaar lang duurt — in Bibliotheek Permeke, de hoofdbibliotheek van Antwerpen.
 

2011

Iemands lief

Op verzoek van violiste Janine Jansen maak ik een bewerking van Stravinsky’s L’Histoire du Soldat. Na Olek schoot een beer (een bewerking van De Vuurvogel) uit 2006 ga ik voor de tweede keer aan de slag met werk van Igor Stravinsky.

De bedoeling is dat de muziek en het verhaal maar één keer live worden uitgevoerd, op het Kamermuziekfestival in Utrecht (en live op Radio 4). Uiteindelijk verschijnt Iemands lief ook in boekvorm, met tekeningen van Korneel Detailleur. Bij het eerste interview blijkt het verhaal tot mijn ontsteltenis veel dichter bij mijn eigen leven te liggen dan ik zelf dacht. Ik blijk de Stadsdichtersjaren van me af te hebben geschreven.

Van Iemands lief zou in 2021 een geheel nieuwe editie verschijnen, geïllustreerd door Peter Van den Ende.

2008

De luwte

Na het Stadsdichterschap zoek ik een tijdje de luwte op. Mede door een rugoperatie ben ik genoodzaakt het een tijdje rustiger aan te doen. Met Graz schrijf ik voor het eerst een novelle die specifiek voor volwassenen is bedoeld. Een fragment uit het boek wordt bij verschijnen in maart 2009 als monoloog door theatergroep Stan op de planken gebracht.

Graz krijgt van de kritiek positieve reacties, staat op de longlist van AKO Literatuurprijs, en wordt vertaald in het Duits en het Zweeds.
 

2005

Andere landen

Ik onderneem op uitnodiging van verschillende organisaties buitenlandse lezingenreizen. Ik reis mijn boeken achterna — van Zuid-Afrika naar Suriname, Spanje, Japan, Zweden of Canada, van Italië naar Frankrijk, Groot-Brittanië en het Duitse taalgebied.

2004

De trilogie

Een opdracht van het Nederlands Blazers Ensemble resulteert in 2004 in De Schepping. Mijn versie van Genesis wordt uiteindelijk een hechte samenwerking die verder gaat dan één project. Het NBE en ik werken, verspreid over tien jaar, aan een trilogie over het leven zelf. Het tweede deel uit 2010, Het Paradijs, laat het volle leven zien, en met De Hemel volgt in 2015 het slotakkoord.

Bij de verhalen die ik op het podium breng in Vlaamse en Nederlandse concertzalen, hoort muziek van Haydn, uitgevoerd door het NBE.
 

2003

Dichtersdebuut

In 2003 word ik hoofddocent Schrijven aan het Koninklijk Conservatorium in Antwerpen. In datzelfde jaar debuteer ik als dichter met Verzamel de liefde. De bundel wordt door uitgeverij Querido eerst aangeboden in de catalogus voor jongeren, maar wordt al snel ook door volwassenen opgepikt. Vanaf de zesde druk verandert de vormgeving geheel.

In 2006 word ik door de stad Antwerpen voor twee jaar aangesteld als Stadsdichter. In 2007 mag ik naar aanleiding van het Stadsdichterschap het ere-doctoraat van de Universiteit van Antwerpen ontvangen. In 2008 verschijnt de bundel Gedichten voor gelukkige mensen.
 

2001

Cross-over

In 2001 trekt één bepaald, nieuw crossover-project de aandacht. Componist Filip Bral nodigt me uit om Berona, een Slovaaks sprookje, dat door Filip in oud-Germaans schrift is ontdekt, naar mijn hand te zetten. Gerda Dendooven illustreert het nieuwe sprookje in full-colour.

Bij het boek hoort een cd met de compositie van Filip Bral, en met mij als verteller. De tekst en de muziek worden op 24 en 25 november 1999 opgenomen door Klara in de Academiezaal in Sint-Truiden, en op 6 januari 2000 afgewerkt in Studio Toots in Brussel. Luna van de boom wint De Gouden Uil.

De muziekvoorstelling loopt drie seizoenen in Vlaanderen, en reist naar Duitsland, Oostenrijk, Frankrijk, Spanje, Zweden, met verschillende orkesten en verschillende vertellers. Op 9 en 10 april 2005 beleeft Luna van de boom zijn Amerikaanse première op Broadway, New York.
 

1997

Het podium op

In opdracht van De Standaard Magazine schrijf ik uitgebreide artikels over design. Twee televisiescenario’s in opdracht van VRT/IKON worden verfilmd.

Steeds vaker ben ik op het podium te zien: eerst in literaire programma’s als Geletterde Mensen van organisatie Behoud de Begeerte (met Joke van Leeuwen in 2001, en met Erwin Mortier en Adriaan van Dis in 2004), een enkele keer als acteur — zoals in Bremen is niet ver, in Het Paleis.

In opdracht van theater Luxemburg schrijf ik mijn eerste theaterstuk, Rover, dronkeman. Het stuk loopt twee seizoenen, met actrices Chris Lomme en Elke Dom en muzikant Chris Carlier. Het stuk wordt in het Duits vertaald en gaat op 29 september 2005 in première in het Berlijnse Theater an der Parkaue, en wordt tot eind juni 2008 gespeeld.
 

1995

Beroep: schrijver

In 1992 word ik eindredacteur van het tijdschrift Top Magazine. Drie jaar later besluit ik voluit voor het beroep van schrijver te kiezen.

Ik verlaat de uitgeverij waar ik ben gedebuteerd en stap over naar Querido, de uitgeverij waar in 1995 Blote handen verschijnt — en die ik tot vandaag trouw blijf.

Blote handen wordt vertaald in acht talen, wordt veelvuldig bekroond (o.a. met de Zilveren Griffel, de Boekenleeuw en de Deutsche Jugendliteraturpreis), en markeert het begin van een nieuwe periode in mijn werk.
 

1986

Nieuwe stad

Na mijn studies verhuis ik van Brussel naar Antwerpen. Mijn eerste adres is Nieuwstad 14 — een adres dat later ook een gedicht zal worden. Ik woon op het Theaterplein, met uitzicht op het theater waar Kus me in 1994, Broere in 2000, Bremen is niet ver in 2001 en Café Geluk in 2007 op de affiche zullen staan.

Ik werk free-lance voor het tijdschrift Flair: ik verzorg de kinderboekenbladzijde en vertaal artikels. In die periode schrijf ik ook een uitgebreid stuk over het leven van Astrid Lindgren.

Ik debuteer als vertaler uit het Duits met De Nieuwe Pinokkio van Christine Nöstlinger. Meer vertalingen volgen: uit het Duits (Jürg Schubiger), Frans (Frédéric Clément, Chris Donner) en Engels (Carolyn Coman, Shaun Tan, Jean Reidy).
 

1983

Debuut

In het dagboek dat ik bijhoud staat op 7 november 1980 de eerste en enige verwijzing naar ‘het boek dat af is’. Het boek dat ik bedoel, Duet met valse noten, verschijnt drie jaar later. Op 1 oktober 1983, om precies te zijn. Uitgeverij Altiora, die dit debuut van een negentienjarige aandurft, gaat vier maanden na verschijnen al over tot een herdruk.

Op dat moment zit ik nog op school. Ik heb net de Kunsthumaniora in Gent afgemaakt, en studeert Nederlands, Duits en geschiedenis in Brussel.

Duet met valse noten wordt bekroond met de Prijs van de Vlaamse Kinder- en Jeugdjury in 1984. Het boek wordt vertaald in het Japans, Duits, Catalaans en Hongaars, en krijgt ook een tweede leven als musical. Mijn debuut is tot vandaag nog steeds in druk.
 

1970

Kindertijd

Op 1 september 1970 ga ik voor het eerst naar school. Ik kijk vooral uit naar het leren lezen en schrijven. De lessen oefen ik in schriftjes en boeken. In het openingshoofdstuk van Pietertje Broms jeugdjaren van J.P. Baljé, bijvoorbeeld, onderstreep ik elk woord dat ik kan lezen met potlood. Woorden van drie lettergrepen laat ik ongemoeid, wegens nog te moeilijk.

In juni 1974 geef ik een eerste huiskrant uit, getypt op zeven exemplaren. Een jaar later schrijf ik een eerste lang verhaal — en noem het zelf een boek.

In 1978 zet ik twee stappen tegelijk: op 18 juni lees ik in het programma Hartewens op de Belgische Radio 2 mijn gedicht Treurlied om de Schepping voor. Op 27 juni verschijnt in Stipkrant, de kinderkrant van De Standaard, het rijmpje Kwaak!, geschreven door Michiel Verberne. Ik heb spijt van het pseudoniem dat ik heb gekozen — niemand gelooft dat het mijn gedicht is.

Van mijn tiende tot mijn vijftiende neem ik regelmatig deel aan voordrachtswedstrijden, vaak ook met eigen werk.

Het cadeauboekje 56 kilometer, dat later speciaal voor mijn twintigste schrijversverjaardag is gemaakt, bevat foto’s, notities en herinneringen, in het bijzonder over mijn vroegste lees- en schrijfervaringen.
 

1964

Zevende zoon

Op 9 juni 1964, om twintig voor acht, werd ik geboren. Voluit heet ik Bart Boudewijn Peter. Ik ben de zevende zoon op rij. In België krijgt dat zevende kind vanzelf de koning als peetvader.

Vanwege het Koninklijk Paleis wordt een cadeau gebracht: een gouden beker en een gouden lepel waarin een kroon en de letter B zijn gegraveerd, de B van koning Boudewijn.

In De koning is geweest, een verhaal uit Broere (2000, Querido), is er sprake van dat cadeau en van koninklijk bezoek.
 

1950

Mijn ouders

Op 18 januari 1926 wordt mijn moeder geboren: Henriette Smessaert, de enige dochter van de tuinman en de huisbewaarster van het kasteel Gruuthuse in het Belgische Oostkamp.

Op een steenworp van dat kasteel wordt op 14 januari 1927 mijn vader geboren, Omer Moeyaert, de tweede zoon van een spoorleggersbaas en een schoenwinkelierster.

Op 1 augustus 1950 trouwen Henriette, kamermeisje, en Omer, onderwijzer. Ze wonen een tijdje in het kasteel Gruuthuse, en verhuizen later naar de woning die ze net buiten de Vesten van Brugge bouwen.

Mijn verhaal Kellerkatze is gebaseerd op een gebeurtenis uit het leven van mijn moeder.